Brieven van Riek Beste - Enige Gebeurtenissen Hierbij enige gebeurtenissen door Boet en mij in de bezettingstijd in Bandoeng doorleefd. Wij hadden 5 of 6 huiszoekingen doorstaan. Ik meen 2 of 3 in de Baladewaweg en 3 in de Titiranlaan. Een paar huiszoekingen waren wonderlijk efgelopen vanwege allerlei afleidingspolitiek. Bij 1 werd er zelfs een grammofoonplaat gedraaid en Boet danste toen met mij en het onderzoek werd lachend gestopt. Een andere keer kwamen de woordenboeken Boet te hulp die op de klerenkast stonden maar in de kast achter de kleren was de verborgen radio waarmee geluisterd werd. In de Titiranlaan werd de slaapkamer van Boet zelfs helemaal overgeslagen maar de andere kamer juist heel zorgvuldig doorzocht. Op de dag van de oppakking werden we gescheiden. Boet in de zitkamer en ik in de slaapkamer samen met mijn schoonmoeder, de moeder van Boet ma Bets, een zenuwzieke Baboe, 3 blaffende honden met 7 heiho’s met het geweer in de aanslag en daarbij de loeiende alarm installtie die was aangelegd maar warvan men dacht dat het een geheime zender naar Australie was, en Boet de contact persoon. Later op de dag kwamen ze weer terug voor een grondiger inspectie, zij waren van te voren, bij de eerste keer al eerder op de ladder geklommen om de vliering te doorzoeken. Het was werkelijk een groot wonder te noemen toen die man door de termieten plaat heenzakte vlak voor de schuilplaats. Van schrik geloofde hij het wel en zei dat alles in orde was en klom toen naar beneden. Wij hoorden het kabaal wel, roepen en schreeuwen en een bons, maar wisten toen nog niet precies wat er gebeurd was. Wel sloeg de schrik ons om het hart, denkende aan al het verborgene op die vliering, revolvers, geweren, munitie, handgranaten, militaire kleding, radio’s van een stel vrienden etc. Dit alles was bestemd voor een eventueel gezagsvacuum om de vrouwenkampen en ook de burgers te kunnen beschermen. Ik had na hun vertrek na het eerste onderzoek bliksemsnel de koptelefoon waarmee geluisterd werd in de tuin verstopt tussen de bladeren van een grote Markiezenplant. Ook daar werd gestampt en gewroet omdat men dacht dat daar alles verborgen was. Gelukkig had Boet nooit de schuilplaats aan John van den Dingen Gronovius verteld. Maar Boet zelf had bij zijn verhoor verteld dat hij met een koptelefoon had geluisterd. maar ook daar was een wonderbaarlijke redding. Notabene in de cel waar Boet zijn eerste nacht was ondergebracht en de slaap maar niet kon vatten was er een andere jongeman die ook wakker bleef. Na elkaar gepolst te hebben bekende deze dat hij in grote angst leefde, hoe hij het moest verklaren dat er bij hem een radio gevonden was waar hij beslist de herkomst niet kon- en wilde zeggen omdat anders de eigenaar in moeilijkheden zou komen. Ze spraken toen af dat hij de radio van Boet had gekregen die met mij op 26 mei 1944 zou trouwen en het daarom veel te gevaarlijk vond om die aan te houden en dus weggegeven had. Het nummer werd in Boets hoofd geprent en dat was maar goed ook want ze werden de volgende dag van elkaar gescheiden. Bij het eerstvolgende verhoor werd alles nagegaan en toen het bleek dat beiden geen contact met elkaar zouden kunnen gehad hebben werd alles als zoete koek aangenomen. Dat was dus voor de herkomst van de radio. Jammer dat ik er toen op dat moment niets vanaf wist. dan had ik me daarover geen zorgen hoeven te maken. Boet moest diverse verhoren ondergaan. Eerst bij de P.I.D. daarna de Bantjeuj gevangenis en uiteindelijk kwam hij in de Soekamiskin gevangenis terecht. Daar ontmoette hij John van den Dungen Gronovius. Hij was in de Januari 1944 denk ik al opgepakt en helaas heel wat martelingen moeten doorstaan die hem te machtig werden. Dit omdat er een verrader ‘Krommetuin’ geheten in zijn cel werd geplaatst die hem vol medelijden/ komedie adviseerde om thuis om eten te vragen, omdat hij zelf de volgende dag verhoord zou worden vroeg hij Johnny of hij voor hem wat papier en potloden kon smokkelen waar John in trapte. Helaas schreef hij Boet een brief inplaats van zijn eigen vrouw die ook in Bandoeng woonde en vroeg Boet om eten. Dat was niet zo erg geweest als hij de brief niet met een p.s. ‘Wees gerust, ik laat niets los’ had beeindigd. Toen kwamen de martelingen pas goed los. Ik kan me best voorstellen dat je onder zulke omstandigheden er alles uit wil gooien wat je weet, maar waarom vertelde hij er dan leugens bij waardoor alles veel moeilijker werd. Daardoor dacht men dat de doodgewone dievenschel een geheime zender was. Dat werd urenlang aangehouden door het hele huis met de drie blaffende honden te samen. Dit bleef in mijn oren doorklinken want ook in de slaapkamer waar wij werden vastgehouden bleef het doorloeien. Om gek van te worden. Zelfs na tien dagen kon ik het vallen van een speld niet verdragen dat klonk als een geweerschot. Nu moet ik erom lachen als ik eraan denk dat ik naast mijn schoonmoeder zat die in haar twee knotjes het laatste radionieuws had verborgen. Omdat ze heel erg kroeshaar had bleef het prachtig zitten maar ik hield mijn hart vast als ik haar naar haar knotjes zag grijpen en de briefjes hoorde ritselen, langzaam porde ik mijn elleboog in haar buik en dan hield ze van schrik op, maar van de zenuwen bleef ze het telkens weer doen. Ze had de instructies van Boet zo goed opgevolgd om direct bij onraad het nieuws van onder de schemerlamp weg te halen en in haar knotjes te verstoppen. Het nieuws werd elke dag trouw afgeluisterd om ter hartversterking over de pasar aan de vrouwenkampen te distribueren. Hugo van Moerkerken had dat vernuftig bedacht. Boven de wastafel in Boet's slaapkamer was een lamp waar de peer moest uitgedraaid blijven. daar was heel geraffineerd een draad tussendoor gevlochten die verbinding had met de radio die op de verborgen plek op de vliering stond opgesteld. Een onschuldige spijker witgekalkt om niet teveel op te vallen was natuurlijk geen echte spijker. Daarmee kon je op een andere zender draaien. Heel eenvoudig maar je moet er maar op komen he? Ondertussen was ik in verwachting maar van alle spanningen en immense zenuwen kreeg ik een miskraam. We hadden bijna 9 jaar op elkaar gewacht maar door allerlei tegenspoed hadden we ons huwelijk steeds moeten uitstellen. In mei 1940 kreeg Boet TBC en moest een zware esra pleuraal operatie ondergaan, voor die tijd levensgevaarlijk, want Boet was de eerste patient die bleef leven. We kregen van dr. Wisse te horen dat we 5 jaar moesten wachtten met trouwen. Daar kwam echter de oorlog, het ondergronds verzet en de oppakkingen. De ene vriend na de andere werd opgepakt, ook John van den Dungen Gronovius. Vol spanning wachtten we af want hij zou moeilijkheden kunnen veroorzaken. We besloten alles op alles te zetten en toch te trouwen, al was mijn moeder er op tegen. Ik had zo graag dat mijn vader, M.B.F. Beste, erbij zou zijn maar hij zat al in het burgermannen interneringskamp. 912 Beste, M.B.F. geboren op 30-07-1893 kampnummer 36494 Baros 4. De vijf jaren van dr. Wisse waren ook nog niet voorbij etc. Maar moeder wist niets van ons ondergronds werk wat we deden. Door het bericht dat mijnn broer Ernst gesneuveld was was ze totaal gebroken. Het was ook zo'n lieve broer. Voor mijn moeder stopte ik met het ondergronds werk nadat ik een hachelijk avontuur had meegemaakt. Met een revolver in mijn stuurtas en wat ? in pisangbladeren gewikkeld erbovenop reed ik naar Boet's huis van kantoor komend. Ik had mijn werkband met de rode bol nog om de arm. Boet en ik werten toen bij het Staats Spoor. Plotseling zag ik dat er razzia's werden gehouden. Ik kon onmogelijk terug. Het was bij het V&W gebouw. Ik besefde dat rechtsomkeer maken mij meteen verdacht zou maken. Al biddend reed ik in hun richting mijn arme moeder schoot me door het hoofd en op dat moment beloofde ik god dat ik ermee zou stoppen als god me zou sparen. Bij de heiho liet ik demonstratief mijn rode bol zien en hoorde 'Djalan'. Langzaam fietste ik rustig verder. Goddankend om zijn wonderbaarlijk redding. Ik stopte hierna. In de Bantjeuj gevangenis had Boet 'duikboten' Er werd eten gesmokkeld geld etc. Hugo van Moerkerken had van alle celdeuren duplicaat sleutels gemaakt zodat de deuren in geval van nood open gemaakt konden worden. Hugo was ook in de gevangenis vernuftig genoeg geweest. Omdat ik wist hoe Hugo in de bezettingstijd verdienstelijk was geweest als ondergedoken Marine officier kon ik het niet verdragen dat John van den Dungen Gronovius postuum het Verzetsherdenkingskruis had gekregen en Hugo niet. Terwijl Hugo zoveel ellende had moeten ondervinden en verbitterd was geworden voor al het leed van vernederingen na de oorlog toen men maar niet kon begrijpen hoe Hugo als een blonde Hollander groot en blauwe ogen nooit eerder opgepakt was, slechts op het eind van de oorlog. Daaruit blijkt hoe geniaal Hugo was, maar gelukkig werd hij later toch geloofd bij de Marine. Aan Hugo heeft Boet het ook te danken postuum een Verzetsherdenkingskruis had gekregen want ikzelf heb dat niet voorgedragen, denkend in de stijl van Boet, want Boet had zelf haast nooit thuis met de kinderen erover gepraat. Ook na de bevrijding bleef het gevaarlijk voor ons. Op 4 oktober 1945 kwamen we van een begrafenis thuis. Ondrweg werden we door een vriend gewaarschuwd dat er +/- 100 pemoeda's het huis aan de Titiranlaan hadden geplunderd. Boet zocht meteen een onderkomen bij de Engelsen in Hotel Homann omdat ze naar hem zochten. Hij bleef daar ongeveer een maand. Vreemd genoeg hadden de pemoeda's selchts alles uit de schuilplaats gerampokt maar de grote radio van mijn moeder, maar die wist niet dat er de hele tijd mee geluisterd werd want Boet had het zogenaamd afgegeven aan de Japanners, was er nog. Ook de Mauser Cheese die Boet in de zitkamer achter de deur was gezet, was net een dag van tevoren uit de schuilplaats gehaald en ongeroerd achtergelaten, misschien hadden zij die niet gezien? Toen het veiliger werd hebben we de Mauser Cheese afgedragen aan Charles Poublon die als officier was terug gekomen na eerst in angst gezeten te hebben. Ik was weer in verwachting en had een zwangersschapjasje aan. Boet had het geweer uit elkaar gehaald en zat achterop Boet's fiets, onder mijn jasje voelde ik de loop in mijn rug. Opeens waren er aanhoudingen bij de Jaarbeurs. Bijna impulsief wilde ik van de fiets afspringen maar Boet waarschuwde sissend tussen zijn tanden 'Blijf zitten'. Stokstijf bleef ik zitten en hoorde 'Waar moet u heen' naar de Baweaan riep ik samen met Boet, Rijd u dan maar via de Lombokstraat. Via die kleine omweg kwamen we thuis, wat een opluchting was dat. Wat een vreemde situaties ook. Eerst was de Japanner tegen ons, toen opeens voor ons en een week erna beschermde de Indoenesiers ons tegen de Japanners. Een heel verwarrende tijd maar erg spannend. Ik verveelde me geen moment en Boet was immers thuis. Van links naar rechts De, de oudste zuster van Boet, Puck de jongere zus van Boet en Ma, Maatje Bets. Familiearchief Schäffer